Uit de Telegraaf van 10 december 2007, Requiem voor een hond Haar naam was Tina. Ze was een Alaskische husky. Kort haar, grijsbruin met een witte staart.
Ook haar slanke poten en haar borst waren helderwit. Tina kwam pas vijf jaar geleden in ons leven. We hadden toe twee prachtige Duitse herders. Het waren broers en ze deden alles samen. Ze heetten Chico en Iwan. Op een avond werd Iwan acuut ernstig ziek. Homo Vanaf dat moment waren onafscheidelijk: de grote herder, die binnen veertien dagen grijs was geworden, en de kleine Alaskische husky met de fluwelen ogen. Zij hield haar nieuwe vriend in leven. Ze hadden geen seksuele relatie, want Chico bleek homo te zijn. Hun grote genegenheid was zuiver platonisch. Maar de zorg van Tina strekte zich ook uit tot de mensen. Zo voelde ze haarfijn aan als iemand zich niet goed voelde, verdriet had of pijn leed. En dan ging ze dicht tegen de door het noodlot getroffene aanliggen, hield hem of haar warm en likte de plaatsen waar het zeer deed. Er ontstond een grote weder-zijdse vertrouwensband, totdat we zelfs onze diepste gedachten en problemen met haar deelden. Ze luisterde dan heel aandachtig en gaf te kennen ons begrepen te hebben. Ze was alleen bang voor nachtelijk onweer. Dan kwam ze de trap op naar de slaapkamer. Ze sprong vederlicht op mijn bed en kroop sidderend van angst onder de dekens. Haar smalle aandoenlijke kopje begroef ze in mijn hals en uit haar neus blies ze haar warme adem in mijn oor. En zo, in mijn armen, wachtte ze totdat het onweer over was. Niets hielp Vorige week kwam ze midden in de nacht weer in paniek naar de slaapkamer. Evenwel was er helemaal geen onweer. Er was niets aan de hand. Maar ze bleef in paniek. Niets kon haar kalmeren. Ze dronk niet. Ze at niet en weigerde zelfs haar lievelingshapje: stukjes leverworst. Zo bleef het de hele dag. ’s Avonds liep ze opeens weg en kwam niet meer terug. Alles afgebeld. De politie, de Stichting Amivedi (voor weggelopen huisdieren) en de buren. De bossen afge-zocht. Gefloten, geroepen, met de auto rondgereden en getoeterd. Niets hielp. Vandaag, precies een week geleden, ging de telefoon. Ze was gevonden. Zeventien kilometer van huis. Langs de spoorlijn. Ze was dood. De treinmachinist had het zien gebeuren. ’s Avonds in het stikdonker in het licht van zijn koplampen. Hij had de spoorwegpolitie nog gebeld en die vond Tina naast de rails. Ze leefde toen nog. En zo kon ik haar ophalen bij de veterinaire praktijk. Ze lag onder een dekentje maar ze was al koud en stijf. Haar prachtige fluweelbruine maar gebroken ogen stonden nog open. Doch ze zagen me niet meer. Samen met de buurman maakten we een kistje en een gaf dicht bij mijn huis. Wij gaven haar twee witte rozen mee. Chico heeft voor de tweede maal zijn maatje verloren. Hij ligt nu dagenlang depressief in zijn mand. En wij blijven achter met de vraag waarom Tina zo bang was. En waarom ze wegliep. En waarom ze met open ogen onder een trein kwam. We zullen het nooit te weten komen. Maar onder een kleine grafheuvel in mijn herfstige tuin ligt nu een diepe en onvoorwaardelijke liefde begraven die men in de menselijke samenleving maar zelden tegenkomt. Voor ons is de winter nu echt begonnen. |