Vrij verteld Catrien (52): ‘Sjaantje, de aller-, allerliefste en zachtaardigste kat ter wereld, is niet meer. Ze is dood, gestorven aan een heel valse ziekte die haar veel pijn bezorgde en ons moest doen besluiten er een einde aan te laten maken. Ze kreeg thuis een prikje, ging slapen en werd niet meer wakker. Het was beter zo, zei de dierenarts, we wisten het, maar toch. Ze was altijd goed voor ons, haar personeel. Eten wilde ze, niet straks, nu! Een schone bak eiste ze, want ze was uiterst schoon. Raakte nooit uitgepraat, had altijd het laatste woord. Op schoot wilde ze: haar poot tikte dwingend op onze schouders om toegelaten te worden achter die nutteloze krant. Graag sprong ze in de vitrinekast en nam plaats tussen het kostbare glaswerk. Op onze boeken ging ze altijd zitten op de bladzijde die we zaten te lezen en over het toetsenbord van de pc wandelde ze uitsluitend als er op gewerkt werd. Als je in de keuken bezig was, draaide ze rond je benen in de hoop dat er iets lekkers op de grond viel, wat vaak, hoe toevallig, het geval was. ‘Alleen met rosbief’ gaf ze aan als er een pil genomen diende te worden, twee per dag. De slager zal haar missen. Van vreemden hield ze niet. Tijdens hun bezoek verdween ze koninklijk onder de dekens van het bed. En als je ’s nachts wakker werd lag er 3,5 kilo kat bovenop je die, al wilde je nog zo graag op je andere zij, geen millimeter terrein prijsgaf. Maar ook zij had haar zwakke kanten en kon niet verhullen dat ze ons eigenlijk wel aardig vond. Zo stond ze altijd achter de deur te wachten als je thuis kwam, hoe laat het ook was. Wel liet ze dan luidkeels haar ongenoegen blijken over het te lang wegblijven, maar ze kon haar blijdschap over onze terugkomst niet verbergen. We wisten het: vrije uren mochten niet te lang duren en werden betaald met lange aaisessies. Gingen we op reis dan zorgden we voor vervangend personeel, dat haar schaamteloos verwende. Na onze thuiskomst keek ze dan ook misprijzend naar haar, opeens weer normale, hap en wenste ze niet met ons te praten. Lang hield ze dat nooit vol, opeens was er toch weer de toenadering: een bijna onmerkbaar kopje tegen je wang. En nu, na 17 jaar, is ze er niet meer, nooit meer. De schaduw in je ooghoek is een schoen, het vlees wordt ’s nachts niet meer uit de pan gejat en die biefstuk kan best tien tellen onbeheerd op je bord blijven liggen. Geen haren meer op de bank en in bed, en de deur kan open blijven als we even naar buiten lopen. Niemand meer achter de deur als we thuiskomen.Haar pijn is gelukkig voorbij, maar die van ons nog lang niet.” |